man leest nieuws in de krant

Seks tegen de wil is ook verkrachting

Deze week vergadert de Kamer over de nieuwe Wet Seksuele Misdrijven. De strafbaarstelling van seks tegen de wil maakt onderdeel uit van dit wetsvoorstel. Met de ratificatie van de Istanbul Conventie over preventie en bestrijding van geweld tegen vrouwen, is aanpassing van de huidige zedenwet noodzakelijk. De omvang van seksueel geweld is enorm, de Verenigde Naties noemen het een schaduw pandemie in deze tijden van corona.

Te veel vrouwen en meisjes, maar ook mannen en jongens hebben ermee te maken. Zij hebben recht op een wet die, gegeven een eerlijk proces,  kans biedt op een veroordeling. Wij juichen toe dat gedrag dat de lichamelijke integriteit en seksuele autonomie van mensen schendt principieel strafbaar wordt gesteld. 

De nieuwe wet heeft een tweeledig model.  ‘Seks tegen de wil’ wordt onderscheiden van verkrachting. Het argument voor de tweedeling is dat de straf in proportie kan worden gebracht met het aan de verdachte te maken verwijt: seks tegen de wil wordt in het voorstel minder zwaar gestraft dan verkrachting, omdat daar geweld of dwang aan te pas moet komen. Deze tweedeling komt voort uit het stereotiepe beeld dat de meeste mensen van verkrachting hebben: een onbekende dader overrompelt een vrouw met geweld op een verlaten plek in het donker waartegen het slachtoffer zich met alle macht tevergeefs heeft verzet. Dat is echter de uitzondering. De meeste verkrachtingen vinden plaats in partnerrelaties en in datingsituaties, waarbij de pleger een bekende is.  

Victim- en self-blaming

De tweedeling is problematisch om tenminste twee redenen. Ten eerste zijn de gevolgen voor slachtoffers niet minder ernstig als er geen geweld is gebruikt. We weten uit onderzoek dat 70% van de slachtoffers van verkrachting niets doet, zich niet verdedigt, omdat ze als het ware verlamd raken van angst, waardoor geweld niet nodig is. Slachtoffers die niet in staat waren zich te verzetten, kunnen zelfs serieuzere klachten ontwikkelen dan slachtoffers die wel hiertoe in staat waren. Naast de ernstige psychologische en lichamelijke gevolgen voor de slachtoffers zijn de maatschappelijke kosten hoog. Veel van deze slachtoffers raken voorgoed uit het arbeidsproces. Het huidige wetsvoorstel, waarbij verkrachting met geweld verkrachting wordt genoemd en verkrachting zonder geweld niet, bestendigt victim- en self-blaming van slachtoffers die zich niet hebben kunnen verdedigen, en belemmert verwerking van het trauma.

Ten tweede voldoet het tweeledige model niet aan de verplichtingen van Nederland naar internationaal recht.  Artikel 36 van de Istanbul Conventie stelt dat het ontbreken van vrijwillige instemming het cruciale delictselement dient te zijn.  Hierin maakt het voorliggende wetsvoorstel een belangrijke stap voorwaarts door seks tegen de wil strafbaar te stellen, inclusief de gevallen waarin de verdachte ‘redelijkerwijs had moeten vermoeden’ dat het slachtoffer niet instemde. Maar de stap terug schuilt in de tweedeling  waarmee een hiërarchie in ernst wordt aangebracht tussen  seks tegen de wil en verkrachting, alsof die twee altijd scherp zijn te onderscheiden.   

‘Klassieke’ verkrachting

Minister Grappenhaus schrijft in zijn brief aan de Tweede Kamer  “dat niet elk seksueel grensoverschrijdend handelen gedrag qua strafwaardigheid op één lijn is te stellen met een 'klassieke' verkrachting.” Maar wat is een klassieke verkrachting? Het risico is dat hiermee het stereotiepe beeld van verkrachting wordt bevestigd. Decennia van onderzoek in binnen- en buitenland laten eenduidig zien dat de meeste verkrachtingen – d.w.z. gedwongen vaginale, anale of orale penetraties – binnenshuis worden gepleegd door een partner of ex-partner, soms met en ook vaak zonder fysieke dwang of geweld. Het tweeledig model doet geen recht aan  de ernst van de werkelijkheid en de meest voorkomende gevallen van seksuele dwang. De Manada zaak in Spanje – met een tweeledig model– laat een tweede risico  zien: hoewel het in die zaak ging om een geval van groepsverkrachting van een achttienjarige vrouw, moest de rechter kiezen voor de lichtere variant toen het bewijs voor geweld niet rond kwam terwijl de vrouw niet had ingestemd.  

Het argument dat de straf proportioneel moet zijn met de ernst is steekhoudend. Maar de rechter heeft de mogelijkheid om rekening te houden met strafverzwarende omstandigheden zoals de manier waarop de wil van het slachtoffer onderworpen en/of genegeerd is en de mate van dwang of geweld.

De legitimiteit van strafrecht hangt in de 21ste eeuw meer dan ooit samen met de mate waarin het ook aan slachtoffers recht kan doen; de voorgestelde tweedeling doet dat onvoldoende. Regelgeving over seks en geweld raakt onvermijdelijk, bewust en onbewust, aan diepgewortelde sociale normen en emoties. Het is goed om ons dat te realiseren, in dialoog te gaan en kennis te blijven nemen van feiten die met gedegen wetenschappelijk onderzoek gestaafd kunnen worden. Daarnaast mag het flankerend beleid dat bij deze wet is aangekondigd geen holle frase blijken. Strafrecht alleen is onvoldoende. Voorlichting en bewustwording  over grenzen tussen gezond en strafbaar seksueel gedrag zijn uit preventie-oogpunt onmisbaar. Anders blijft het dweilen met de kraan open.  

Dit artikel is 5 oktober 2020 in het NRC verschenen.

Drs. Willy van Berlo, programmamanager Seksueel Geweld, Rutgers Kenniscentrum Seksualiteit
Prof. dr. Ellen Laan, hoogleraar biopsychosociale determinanten van seksuele gezondheid, AmsterdamUMC, Universiteit van Amsterdam
Prof. Em. Renée Römkens, bijzonder hoogleraar gender gerelateerd geweld – Universiteit van Amsterdam/Sociologie
Dr. Nicolle Zeegers, universitair docent politicologie, Faculteit Rechtsgeleerdheid, Rijksuniversiteit Groningen, Vereniging voor Vrouw en Recht

Reacties